De rekening van de crisis: wat de Iran-oorlog betekent voor uw contracten
- 1 dag geleden
- 6 minuten om te lezen
Brandstof is in korte tijd drastisch duurder geworden. Op 28 februari 2026 voerden de Verenigde Staten en Israël aanvallen uit op Iran. In reactie hierop blokkeerde Iran de Straat van Hormuz, de smalle zeestraat waardoor normaal gesproken een vijfde van 's werelds olieaanbod stroomt.
De olieprijs, die vlak voor het uitbreken van de oorlog rond de 70 dollar per vat stond, steeg in korte tijd naar boven de 100 dollar. Dit alles heeft directe gevolgen voor uw bedrijfsvoering. Transportcontracten, leveringsovereenkomsten, energiecontracten, aannemingsovereenkomsten: al uw contracten die afhankelijk zijn van brandstof en energie worden geraakt. En dat roept een dringende juridische vraag op: kunt u zich op overmacht of onvoorziene omstandigheden beroepen? Of, misschien wel net zo relevant, kan uw wederpartij dat tegenover u doen?
1. Het juridische vertrekpunt: prijsstijging is ondernemersrisico
Laten we beginnen met een vaststelling die voor veel ondernemers niet prettig is: (extreem) stijgende brandstofprijzen leveren naar Nederlands recht in beginsel geen overmacht op in de zin van artikel 6:75 BW.
Overmacht vereist dat de tekortkoming niet te wijten is aan schuld van de schuldenaar, noch voor diens risico behoort te blijven. De wet stelt daarbij uitdrukkelijk niet de eis dat nakoming geheel onmogelijk is, maar als nakoming enkel duurder of bezwaarlijker is geworden, is er van overmacht geen sprake. Een transporteur die zijn vrachten wél kan uitrijden, maar dat nu driemaal zo veel kost, kan zich niet aan zijn leveringsplicht onttrekken met een beroep op overmacht. De hogere kosten behoren tot zijn ondernemersrisico.
Dat is de harde kern van het systeem: prijsschommelingen (ook extreme) zijn verdisconteerd in het risicoprofiel van elke ondernemer. Wie niet heeft geanticipeerd op prijsvolatiliteit in zijn contracten, draagt dat risico zelf.
2. Maar: is de Iran-crisis zo extreem dat het anders ligt?
Dan toch nuancering, want de huidige crisis is niet zomaar een prijsstijging. Analisten en economen omschrijven de situatie unaniem als structureel onderscheidend van eerdere energieschokken. De gelijktijdige blokkade van olie en de verwoesting van Qatarese olie-infrastructuur die vijf jaar herstel vergt, maakt de huidige situatie kwalitatief anders dan de Russische inval in Oekraïne of de COVID-pandemie.
Dit is relevant voor het juridische kader van artikel 6:258 BW: de onvoorziene omstandigheid. Dit artikel biedt partijen de mogelijkheid om wijziging of ontbinding van een overeenkomst te vorderen wanneer zich na het sluiten van de overeenkomst omstandigheden voordoen die van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding mag verwachten.
De Iran-crisis combineert de schaal van een geopolitiek conflict en de infrastructurele verwoesting van een pandemie. De vraag of dit als onvoorziene omstandigheid kwalificeert voor vóór 28 februari 2026 gesloten contracten is daarmee verdedigbaar, maar niet gegeven.
3. De drie essentiële vragen voor uw contract
Of een beroep op artikel 6:258 BW kans van slagen heeft, hangt af van drie cumulatieve vereisten die de rechter terughoudend toetst.
1. Was de situatie onvoorzien bij het sluiten van het contract?
Dit is de meest complexe vraag in de huidige context. Niet de feitelijke voorzienbaarheid van de situatie is doorslaggevend, maar de vraag of partijen het risico (ook stilzwijgend) hebben verdisconteerd in de overeenkomst.
Daarbij geldt een harde grens: een beroep op artikel 6:258 BW is uitsluitend mogelijk voor omstandigheden die op het moment van het sluiten van de overeenkomst nog in de toekomst lagen. Dit heeft directe praktische gevolgen:
Contracten gesloten vóór 28 februari 2026: hier is de Iran-oorlog in beginsel een onvoorziene omstandigheid, tenzij partijen het risico van een grootschalig Midden-Oostenconflict uitdrukkelijk of stilzwijgend hadden verdisconteerd, bijvoorbeeld via een prijsindexeringsclausule of een expliciete geopolitieke risicobepaling (die ik in deze tijd overigens zeer aanraad).
Contracten gesloten ná 28 februari 2026: de oorlog bestond al. De stijgende brandstofprijzen waren zichtbaar en voorzienbaar. Een beroep op onvoorziene omstandigheden op basis van de Iran-crisis is voor dergelijke contracten in beginsel niet haalbaar.
2. Is ongewijzigde instandhouding onaanvaardbaar?
De drempel is hoog. Uitgangspunt is dat gesloten contracten moeten worden nagekomen. Afwijking is slechts bij hoge uitzondering toegelaten. Dat een leverancier verlies lijdt of zijn marge verdampt, is op zichzelf onvoldoende. Vereist is een zodanig ernstige verstoring van de waardeverhouding dat het evenwicht tussen prestatie en tegenprestatie geheel is verbroken.
Bij de huidige olieprijs, een stijging van meer dan 40 procent ten opzichte van het niveau van vier weken geleden, is die verstoring voor energie-intensieve contracten reëel. Wie in januari 2026 een transportcontract sloot op basis van een brandstofprijs van 70 dollar per vat en nu rekent met een prijs van 105 dollar, ziet zijn kostenbasis fundamenteel ontwricht.
3. Komt de omstandigheid niet voor rekening van de eisende partij?
Tot slot mag de situatie niet voor risico komen van de partij die zich erop beroept. Bij een externe, mondiale geopolitieke schok die geen enkele ondernemer heeft veroorzaakt of had kunnen beïnvloeden, is dit vereiste in beginsel vervuld. Maar een transporteur die naliet een brandstofkostenbeding of prijsindexeringsclausule op te nemen in zijn contracten terwijl hij opereerde in een regio met bekende geopolitieke instabiliteit, kan die nalatigheid tegengeworpen worden.
4. Overmacht?
De vraag die nu in de praktijk opkomt: als de Straat van Hormuz feitelijk gesloten is en een schip zijn geplande route niet kan varen, is dat dan overmacht? Hier verschuift de analyse: het gaat niet meer om hogere kosten, maar om feitelijke onmogelijkheid van nakoming. Wanneer de blokkade rechtstreeks verhindert dat een schip zijn bestemming bereikt, kan overmacht in de zin van artikel 6:75 BW wél aan de orde zijn mits de schuldenaar het risico van een dergelijke blokkade niet contractueel heeft aanvaard. De werkelijke overmachtsclausule in het contract is dan het eerste aanknopingspunt.
5. Wat kunt u nu concreet doen?
De huidige crisis vraagt om directe actie, niet om afwachten. Hieronder zijn vier concrete handvatten opgenomen.
Handvat 1: Screen uw lopende contracten onmiddellijk.
Inventariseer welke van uw contracten zijn gesloten vóór 28 februari 2026 en significante blootstelling hebben aan stijgende brandstof- of energiekosten. Kijk vervolgens of daarin een prijsaanpassingsmechanisme, overmachtsclausule of hardship-bepaling is opgenomen. Ontbreekt die, dan is de vraag of artikel 6:258 BW uitkomst biedt.
Handvat 2: Documenteer de schade nu.
Voor een beroep op artikel 6:258 BW moet u de ernstige verstoring van de waardeverhouding kunnen aantonen. Leg de werkelijke kostenstijging vast met facturen, marktprijsvergelijkingen en interne berekeningen. Hoe eerder u begint, hoe sterker uw positie.
Handvat 3: Communiceer tijdig met uw contractspartner.
Artikel 6:258 BW geeft de rechter de bevoegdheid om de overeenkomst te wijzigen of te ontbinden — maar in de praktijk lossen veel partijen dit onderling op. Neem het initiatief: treed in overleg met uw wederpartij over aanpassing van de prijsafspraken. Een gezamenlijk gevonden oplossing is altijd beter dan een procedure.
Handvat 4: Pas uw nieuwe contracten aan: definieer wat als onvoorziene omstandigheid geldt.
Voor alle contracten die u vanaf nu sluit, geldt dat de Iran-crisis is uitgebroken en voorzienbaar is. Maar dit handvat gaat verder dan alleen een overmachtsclausule opnemen. Partijen kunnen in hun contract uitdrukkelijk definiëren welke omstandigheden als onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW kwalificeren en hoe de risicoverdeling er dan uitziet. Treedt een dergelijke omstandigheid in, dan is geen sprake meer van een onvoorziene omstandigheid in de wettelijke zin en vindt artikel 6:258 BW geen toepassing: de overeenkomst regelt het zelf.
Een praktisch voorbeeld: neem in uw contract op dat een stijging van de brandstofkosten van meer dan 30 procent binnen een kalendermaand kwalificeert als een omstandigheid die recht geeft op prijsaanpassing. Definieer daarbij ook de maatstaf: wordt de prijs automatisch aangepast, of ontstaat er een heronderhandelingsplicht? En geldt de drempel cumulatief over een langere periode, of per maand afzonderlijk? Hoe concreter de bepaling is uitgewerkt, hoe minder ruimte er overblijft voor discussie achteraf.
Voornoemde bedingen worden in de praktijk onder meer in bouwcontracten en commerciële langlopende overeenkomsten gebruikt. Let daarbij wel op: ook een uitdrukkelijke contractuele regeling van onvoorziene omstandigheden moet worden uitgelegd op basis van de bedoeling van partijen. De rechter kan oordelen dat de bewoordingen een bepaalde situatie niet dekken, waardoor artikel 6:258 BW alsnog van toepassing is. Zorgvuldige en specifieke formulering is dus essentieel.
Samenvatting
De Iran-crisis raakt zakelijke contracten hard. Olieprijzen zijn in vier weken tijd met meer dan 40 procent gestegen; de Straat van Hormuz is nagenoeg gesloten; olie-infrastructuur is voor jaren beschadigd. Naar Nederlands recht levert een prijsstijging op zichzelf geen overmacht op.
Wel bieden de ontwikkelingen reële juridische aanknopingspunten voor een beroep op onvoorziene omstandigheden bij vóór 28 februari 2026 gesloten contracten, mits de drempel van artikel 6:258 BW is gehaald.
Wacht niet af totdat de schade onherstelbaar is. Laat u adviseren.
Meer weten? Neem vrijblijvend contact op.

Redouan el Haddad Advocaat r.elhaddad@vanamstellegal.nl 0636328676

